Skip to main content
Universiteitsbibliotheek – LibGuides

Geschiedenis van de Wijsbegeerte: Richtlijnen voor titelbeschrijven en citeren

Training zoeken en gebruiken van bronnen in de Wijsbegeerte

§ 1 Inleiding

Wie een academisch betoog schrijft, moet zijn argumentatie verantwoorden. Daarvoor zijn conventies ontwikkeld: (voet)noten, literatuurverwijzingen, citaten. Voor het vormgeven daarvan bestaan verschillende stijlen. In dit stuk wordt één van die stijlen behandeld, namelijk die van The Chicago Manual of Style, 16th edition, 2010 (“Chicago 16”). De online editie van dit handboek is voor studenten van de UU gratis toegankelijk in de zoeksystemen van de universiteitsbibliotheek. De algemene principes van Chicago 16 worden hieronder uiteengezet, in §§ 2–9. Voor het schrijven van papers in de opleiding Wijsbegeerte wordt het gebruik van deze (internationaal gangbare en gezaghebbende) stijl aanbevolen. Bij de paper voor het vaardighedenonderwijs bij de voltijds eerstejaars-cursus Geschiedenis van de Wijsbegeerte II is het gebruik van Chicago 16 verplicht. 

Opmerking I

§ 2 Het verantwoorden van bronnen: twee systemen

Chicago 16 kent twee verschillende systemen om bronvermeldingen te documenteren:

  • “humanities style”: een combinatie van (voet)noten en bibliografie Opmerking II
  • auteur-jaartal systeem: een combinatie van verwijzing tussen haakjes in de tekst zelf en een lijst van vermelde literatuur.

Zie voor een omschrijving, en voor vele verhelderende voorbeelden, de “Chicago-Style Citation Quick Guide”.

§ 3 Voetnoten en bibliografie: het verschil

Je geeft een verwijzing naar de gebruikte bron in een voetnoot, en neemt alle gebruikte bronnen achteraan op in een alfabetisch geordende bibliografie. Hieronder worden enkele belangrijke verschillen genoemd tussen de presentatie van de gegevens in de noten en in de bibliografie.

  • De informatie wordt in voetnoten beknopter weergegeven, want de lezer vindt de volledige informatie in de bibliografie.
  • De interpunctie van titelbeschrijvingen in voetnoten wijkt iets af van de bibliografie.
  • In de voetnoten wordt een titelbeschrijving slechts één keer gegeven: als je in latere voetnoten naar dezelfde bron verwijst, beperk je je tot een sterk ingekorte verwijzing.
  • Een titelbeschrijving in een bibliografie is zo gemaakt dat deze alfabetisch kan worden teruggevonden op de achternaam van de (eerste) auteur of redacteur.

(Zie verder hieronder § 8 voor voetnoten, en § 9 voor de bibliografie.)

Voorbeelden (eerst voetnoten, met willekeurig gekozen nootnummers; dan dezelfde titels in een bibliografie, alfabetisch geordend)

Voetnoten

14. Jonathan Walmsley, “The Development of Lockean Abstraction,” British Journal for the History of Philosophy 8 (2000), 395–418.

15. Harold W. Noonan, Hume on Knowledge (London: Routledge, 1999), 187–192.

16. Willem Frijhoff en Marijke Spies, 1650: Bevochten eendracht (Den Haag: Sdu, 1999), 423.

17. Daniel Garber and Michael Ayers, eds., The Cambridge History of Seventeenth-Century Philosophy (Cambridge: Cambridge University Press, 1998).

Bibliografie

Frijhoff, Willem, en Marijke Spies. 1650: Bevochten eendracht. Met medewerking van Wiep van Bunge en Natascha Veldhorst. Nederlandse cultuur in Europese context 1. Den Haag: Sdu, 1999.

Garber, Daniel, and Michael Ayers, eds. The Cambridge History of Seventeenth-Century Philosophy. With the assistance of Roger Ariew and Alan Gabbey. Cambridge: Cambridge University Press, 1998.

Noonan, Harold W. Hume on Knowledge. London: Routledge, 1999.

Walmsley, Jonathan. “The Development of Lockean Abstraction.” British Journal for the History of Philosophy 8 (2000), 395–418.

§ 4 Soorten bronnen

Voor de beschrijving maakt het verschil of de bron die je voor je hebt een zelfstandige, gedrukte publicatie is (een boek), of een onzelfstandige gedrukte publicatie (een artikel in een tijdschrift of een hoofdstuk in een boek), of een digitale bron. De aparte regels voor elk van die drie soorten publicaties komen in de volgende paragrafen aan bod komen.

(Zie ook Opmerking III)

§ 5 Boeken

5.1 Een boek met één auteur of redacteur

Je neemt altijd de volgende drie typen informatie op: (a) auteur, (b) titel, (c) publicatiegegevens.

(a) De achternaam en voornaam van de auteur neem je over van de titelpagina. Als er geen voornaam staat maar voorletters, neem je die. Het is niet erg als de bibliografie in dat opzicht niet geheel consequent is (dus bij de ene auteur een voornaam en bij de andere initialen). Verdere informatie (bijvoorbeeld academische titels) neem je niet in de beschrijving op. Als het boek geen auteur heeft maar een redacteur, komt die op de plaats te staan van de auteur, met de toevoeging “red.” (in het Engels “ed.”).

(b) De titel en ondertitel ontleen je ook aan de titelpagina. Een boektitel wordt gecursiveerd. Bij Engelse titels worden alle belangrijke woorden van een hoofdletter voorzien, zoals dat ook in Engelse en Amerikaanse krantenkoppen gebeurt (“headline-style capitalization”: alle woorden een hoofdletter behalve lidwoorden, voorzetsels en voegwoorden). Bij andere talen (waaronder het Nederlands) gebruik je “sentence-style capitalization”: alleen het eerste woord van de titel en van de ondertitel krijgt een hoofdletter, en verder alle woorden waarvoor dat grammaticaal nodig is (zoals namen). Als het boek een herdruk of heruitgave is, verstrek je die informatie achter de titel. Dat geldt ook als het boek onderdeel is van een reeks.

(c) De publicatiegegevens zijn: plaats van uitgave, naam van de uitgever, jaar van publicatie. Ook deze gegevens ontleen je zoveel mogelijk aan de titelpagina. Het jaartal staat vaak aan de keerzijde van de titelpagina. Bij een herdruk kun je in de bibliografie nog de originele uitgave toevoegen na de publicatiegegevens, maar dat is niet verplicht.

Voorbeelden

Voetnoten

12. E.J. Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld, 6e dr. (Amsterdam: Meulenhoff, 1989).

13. Jill Kraye, ed., The Cambridge Companion to Renaissance Humanism (Cambridge: Cambridge University Press, 1996).

Bibliografie

Dijksterhuis, E.J. De mechanisering van het wereldbeeld, 6e dr. Amsterdam: Meulenhoff, 1989. 1e dr. 1950.

Kraye, Jill, ed. The Cambridge Companion to Renaissance Humanism. Cambridge: Cambridge University Press, 1996.

 

5.2 Een boek met meer auteurs of redacteuren

Als een boek meer dan één auteur of redacteur heeft, worden in een voetnoot maximaal drie namen genoemd, in de volgorde van de titelpagina. Zijn het er meer dan drie, dan geef je alleen de eerste naam, gevolgd door “e.a.” (= “en anderen”, of – in het Latijn – et alii). In de bibliografie geef je alle namen, ook als het er meer dan drie zijn. De volgorde is die van de titelpagina. In de bibliografie wordt de eerste naam behandeld als in 5.1, dus eerst de achternaam (voor het alfabetiseren), dan de voornaam; bij alle volgende namen geef je gewoon eerst de voornaam en dan de achternaam.

Voorbeelden

Voetnoten

14. Ed Romein, Marc Schuilenburg en Sjoerd van Tuinen, red., Deleuze compendium (Amsterdam: Boom, 2009).

15. J.F.A.K van Benthem e.a., Logica voor informatica, 3e ed. (Z.p.: Pearson Education, 2003), 351–352.

Bibliografie

Benthem, J.F.A.K van, H.P. van Ditmarsch, J.S. Lodder, J. Ketting en W.P.M. Meyer-Viol. Logica voor informatica. 3e ed. Z.p.: Pearson Education, 2003. (Zie ook Opmerking IV)

Romein, Ed, Marc Schuilenburg en Sjoerd van Tuinen, red. Deleuze compendium. Amsterdam: Boom, 2009.

 

5.3 Een boek met zowel een auteur als een redacteur en/of vertaler

Behandel het boek zoals je normaal een boek met een auteur behandelt, en plaats de aanvullende informatie over redacteur en/of vertaler na de titel.

Voorbeelden

Voetnoten

10. Theodor W. Adorno and Walter Benjamin, The Complete Correspondence, 1928–1940, ed. Henri Lonitz, trans. Nicholas Walker (Cambridge, MA: Harvard University Press, 1999).

11. René Descartes, Over de methode, vert. Theo Verbeek, 6e dr. (Amsterdam: Boom, 2002).

12. René Descartes, Over de methode: Dioptriek: Meteoren: Geometrie, red. Erik-Jan Bos e.a., vert. Jeanne Holierhoek, Bibliotheek Descartes 3 (Amsterdam: Boom, 2011).

Bibliografie

Adorno, Theodor W., and Walter Benjamin. The Complete Correspondence, 1928–1940. Edited by Henri Lonitz. Translated by Nicholas Walker. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1999.

Descartes, René. Over de methode: Dioptriek: Meteoren: Geometrie. Redactie en annotatie: Erik-Jan Bos, Han van Ruler, Wim Wilhelm. Inleiding: Han van Ruler. Nawoord bij de Geometrie: Henk Bos. Vertaling: Jeanne Holierhoek. Bibliotheek Descartes 3. Amsterdam: Boom, 2011.

Descartes, René. Over de methode: Inleiding over de methode: Om zijn rede goed te leiden en de waarheid te achterhalen in de wetenschappen. Vertaling, inleiding en aantekeningen Theo Verbeek. 6e, herziene dr. Amsterdam: Boom, 2002. 1e dr. 1977. (Zie ook Opmerking V)

§ 6 Artikelen en hoofdstukken

Naast boeken zijn er ook onzelfstandige publicaties, dat wil zeggen: die niet afzonderlijk zijn verschenen, maar in een tijdschrift, naslagwerk of bundel. (Een bijdrage aan een tijdschrift of naslagwerk heet een artikel; een bijdrage aan een bundel kan een artikel zijn, maar ook een hoofdstuk.) Opnieuw geef je (a) auteur, (b) titel, (c) publicatiegegevens. De verschillen met § 5 zitten in de presentatie van de titel, en in de aard van de publicatiegegevens.

(a) Auteur(s) en redacteur(en) worden op dezelfde manier behandeld als bij boeken, zie § 5.

(b) De titel en ondertitel van een artikel of hoofdstuk worden niet gecursiveerd, maar tussen dubbele aanhalingstekens gezet.

(c) De publicatiegegevens zijn bij een tijdschrift: de titel van het tijdschrift, de jaargang, het jaartal en de begin‑ en eindbladzijden. Bij een naslagwerk of een bundel zijn dat: de titel van het naslagwerk of boek (cursief), de redacteur, plaats van publicatie, naam uitgever, jaartal, begin‑ en eindbladzijden.

(Zie ook Aanwijzing A)

Voorbeelden

Voetnoten

1. Jonathan Walmsley, “The Development of Lockean Abstraction,” British Journal for the History of Philosophy 8 (2000), 395–418.

2. Han van Ruler, “Geulincx, Arnold (1624–69),” in The Dictionary of Seventeenth and Eighteenth-Century Dutch Philosophers, ed. Wiep van Bunge e.a. (Bristol: Thoemmes, 2003), 322–331.

3. Alan Gabbey, “Spinoza’s Natural Science and Methodology,” in The Cambridge Companion to Spinoza, ed. Don Garrett (Cambridge/New York : Cambridge University Press, 1996), 142–191.

Bibliografie

Gabbey, Alan. “Spinoza’s Natural Science and Methodology.” In The Cambridge Companion to Spinoza, edited by Don Garrett, 142–191. Cambridge/New York : Cambridge University Press, 1996.

Ruler, Han van. “Geulincx, Arnold (1624–69).” In The Dictionary of Seventeenth and Eighteenth-Century Dutch Philosophers, edited by Wiep van Bunge, Henri Krop, Bart Leeuwenburgh, Han van Ruler, Paul Schuurman, Michiel Wielema, 322–331. Bristol: Thoemmes, 2003.

Walmsley, Jonathan. “The Development of Lockean Abstraction.” British Journal for the History of Philosophy 8 (2000), 395–418.

§ 7 Digitale bronnen

7.1 Internetsites (zie ook Opmerking VI)

Probeer van een website altijd de auteur, titel en datum te achterhalen. Goede sites gaan steeds meer over tot het geven van precieze aanwijzingen voor de manier waarop men de bron kan citeren. Die beschrijving kun je (eventueel met kleine aanpassingen) overnemen. Zo vind je bij alle artikelen van de online Stanford Encyclopedia of Philosophy (SEP) bovenaan een link “Author & Citation Info”. Als je daarop klikt, krijg je een volledige titelbeschrijving van een gearchiveerde versie van het artikel. Die moet je meestal nog wel bewerken voordat je de titel in je lijst kunt opnemen. (Zie het eerste voorbeeld hieronder.)

 Vermeld in de beschrijving van een internetsite:

  • Ÿauteur (indien te achterhalen),
  • Ÿtitel (indien te achterhalen),
  • Ÿdatum van ontstaan en/of van laatste bewerking (indien te achterhalen),
  • Ÿpagina of pagina’s (indien gepagineerd; dat is bij webcontent doorgaans niet het geval).
  • ŸURL = Uniform Resource Locator, ofwel internetadres (altijd vermelden),Ÿ
  • de datum waarop men deze voor het laatst heeft geraadpleegd (altijd vermelden).

Voorbeelden

Voetnoten

5. Michael Murray, “Leibniz on the Problem of Evil,” in The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Spring 2011 Edition), ed. Edward N. Zalta, http://plato.stanford.edu/archives/ spr2011/entries/leibniz-evil/ (geraadpleegd 23 maart 2012).

6. Peter Millican, “Critical Survey of the Literature on Hume and the First Enquiry,” edition 1.0, September 2000, http://www.davidhume.org/bibliographies/ehusurvey.html (geraadpleegd 23 maart 2012).

Bibliografie

Millican, Peter. “Critical Survey of the Literature on Hume and the First Enquiry,” edition 1.0, September 2000. http://www.davidhume.org/bibliographies/ehusurvey.html (geraadpleegd 23 maart 2012).

Murray, Michael. “Leibniz on the Problem of Evil.” In The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2008 Edition), edited by Edward N. Zalta. http://plato.stanford.edu/archives/ spr2011/entries/leibniz-evil/ (geraadpleegd 23 maart 2012).

7.2 Digitaal beschikbare boeken en artikelen

Indien een boek of artikel wel op papier is gepubliceerd, maar tevens op internet beschikbaar is zijn er twee mogelijkheden: (1) de internetversie reproduceert fotografisch exact (dus in facsimile) de papieren bron, of (2) de tekst is voor internetpublicatie omgezet in een computeropmaaktaal (doorgaans HTML). In het eerste geval kun je de publicatie behandelen als een gedrukte bron, waaraan je dan aan het eind nog de URL en de datum van raadpleging toevoegt; in het tweede geval behandel je de publicatie als een internetbron (zie 7.1), waaraan je dan de gegevens toevoegt van de oorspronkelijke, gedrukte versie; zie Aanwijzing B.

Voorbeelden (de titels in noten 3–4 zijn bronnen in facsimile, die in noten 5–6 wijken af van de opmaak van de gedrukte versies; zie Opmerking VII)

Voetnoten

3. Rienk Vermij, The Calvinist Copernicans: The Reception of the New Astronomy in the Dutch Republic, 1575–1750 (Amsterdam: Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 2002), 241–246, www.knaw.nl/Content/Internet_KNAW/publicaties/pdf/991129.pdf (geraadpleegd 23 maart 2012).

4. Richard McKeon, “Causation and the Geometric Method in the Philosophy of Spinoza (I),” The Philosophical Review 39 (1930), 178–189, http://www.jstor.org/stable/2179944 (geraadpleegd 23 maart 2012).

5. Johannes Duijkerius, Het leven van Philopater en Vervolg van ’t leven van Philopater, red. Gerardine Maréchal, 55, http://www.dbnl.org/tekst/duij002leve01_01/ (geraadpleegd 8 april 2010), verschenen Amsterdam: Rodopi, 1991.

6. Dennis Dieks, “Descartes en de fysica,” http://igitur-archive.library.uu.nl/phys/2006-0727-201820/Dieks-05DescartesendeFysica.doc (geraadpleegd 8 april 2010), verschenen in Née cartésienne = Cartesiaansch gebooren (Assen: Van Gorcum, 2005), 80–98.

Bibliografie

Dieks, Dennis. “Descartes en de fysica.” http://igitur-archive.library.uu.nl/phys/2006-0727-201820/Dieks-05DescartesendeFysica.doc (geraadpleegd 8 april 2010). Verschenen in Née cartésienne = Cartesiaansch gebooren (Assen: Van Gorcum, 2005), 80–98.

Duijkerius, Johannes. Het leven van Philopater en Vervolg van ’t leven van Philopater, red. Gerardine Maréchal. http://www.dbnl.org/tekst/duij002leve01_01/ (geraadpleegd 8 april 2010). Verschenen Amsterdam: Rodopi, 1991.

McKeon, Richard. “Causation and the Geometric Method in the Philosophy of Spinoza (I).” The Philosophical Review 39 (1930), 178–189. Article Stable URL:  http://www.jstor.org/stable/ 2179944 (geraadpleegd 23 maart 2012).

Vermij, Rienk. The Calvinist Copernicans: The reception of the new astronomy in the Dutch Republic, 1575–1750. Amsterdam: Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 2002. www.knaw.nl/Content/Internet_KNAW/publicaties/pdf/991129.pdf (geraadpleegd 23 maart 2012).

§ 8 Voetnoten: uitwerking en vormgeving

8.1 In de tot dusver gegeven voorbeelden van complete titelbeschrijvingen in voetnoten ging het steeds om de eerste vermelding van die titel in de voetnoten. Als je in latere voetnoten opnieuw naar dezelfde bron verwijst, gebeurt dat in een sterk gereduceerde vorm: je geeft dan alleen de auteursnaam, de titel (en als die lang is zelfs een ingekorte versie daarvan) en een verwijzing naar de pagina. De volgende voorbeelden zijn gebaseerd op de volledige titelbeschrijvingen die hiervoor zijn gegeven.

23. Dijksterhuis, Mechanisering, 527.

24. Walmsley, “Lockean Abstraction,” 399–400.

25. Descartes, Over de methode, 17.

26. Dieks, “Descartes,” 4–6.

27. Millican, “Critical Survey,” 8(b).

Toelichting: De internetpublicatie van Millican is niet gepagineerd, maar wel onderverdeeld in paragrafen; hier wordt verwezen naar par. 8(b).

8.2 Voetnoten kunnen, behalve een bronvermelding, nog andere informatie bevatten, bijvoorbeeld:

26. Voor het belang van de bewegingswetten van Descartes, zie Dieks, “Descartes,” 4–6.

Toelichting: Behalve voor bronvermeldingen worden voetnoten uiteraard vooral gebruikt voor het geven van aanvullende informatie, die het betoog teveel zou onderbreken als deze in de hoofdtekst zou zijn opgenomen. Die functie valt buiten het bestek van deze richtlijnen. De echte liefhebber kan terecht bij de amusante en geleerde studie van Anthony Grafton, The Footnote: A Curious History (London: Faber and Faber, 1997).

8.3 Interpunctie in voetnoten: noten worden grammaticaal als zinnen behandeld, dus elke voetnoot begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Voor de interpunctie in de titelbeschrijvingen, zie de voorbeelden die hierboven gegeven zijn. Een eventueel citaat wordt in de lopende voetnoottekst opgenomen, en niet apart geplaatst als blokcitaat (zie daarover §10.1)

8.4 Plaatsing van de nootcijfers: in het Nederlands (en het Engels) altijd na een punt, komma, aanhalingstekens of andere leestekens; uitzondering: als de noot bij een woord hoort dat voor een sluithaakje of een liggend streepje (gedachtestreepje) staat, valt het nootcijfer binnen de haakjes of liggende streepjes. Toegepast: het nootcijfer komt na een komma,1 na een puntkomma;2 na “aanhalingstekens”3 en na een punt.4 Maar bij tekst tussen haakjes (aldus5) en tussen streepjes – aldus6 – gaat het nootcijfer aan het leesteken vooraf.

8.5 Het vermelden van pagina’s in voetnoten

Als je in een voetnoot citeert uit of verwijst naar een boek, geef je steeds de precieze pagina’s aan die je bedoelt. Eerste vermelding:

11. Maria Rosa Antognazza, Leibniz: An Intellectual Biography (Cambridge: Cambridge University Press, 2009), 431–436.

Latere vermeldingen:

12. Antognazza, Leibniz, 428.

Bij citeren uit of verwijzen naar een artikel of hoofdstuk, eerste vermelding:

5. James Hill, “Primary and Secondary Qualities,” in The Continuum Companion to Locke, ed. S.-J. Savonius-Wroth, Paul Schuurman and Jonathan Walmsley (London: Continuum, 2010), 200.

6. Johan Olsthoorn, “De moraalfilosofie van Thomas Hobbes: Enkele nieuwe publicaties,” Tijdschrift voor filosofie 72 (2010): 806–807.

Latere vermeldingen:

7. Hill, “Primary and Secondary Qualities,” 199.

8. Olsthoorn, “De moraalfilosofie van Thomas Hobbes,” 808.

Toelichtingen:

  • Het verschil in interpunctie (,/:) tussen voorbeeldnoten 5 en 6 lijkt vreemd, maar er zit een logica achter. Na de tijdschrifttitel Tijdschrift voor filosofie in noot 6 komt nog een jaargangnummer; dat wordt hier gevolgd door het jaar tussen haakjes, maar soms is een volume niet duidelijk aan een jaar gekoppeld. Door de dubbele punt worden volume en paginering dan toch duidelijk van elkaar onderscheiden, als volgt:

Tijdschrift voor filosofie 72:806–807.

Dat systeem houdt Chicago ook aan als er tussen volume en paginering wel een jaar tussen haakjes wordt gegeven.

  • Bij veel andere stijlen is het gebruikelijk dat je niet alleen de precieze pagina(’s) geeft waarnaar je verwijst, maar – bij de eerste vermelding – ook de begin- en eindpagina’s van een artikel of hoofdstuk. Chicago 16 schrijft dat niet voor; die informatie komt alleen in de literatuurlijst, niet in de voetnoten. Zie de voorbeelden hierboven in § 6.

§ 9 Het opstellen van de bibliografie

9.1 De bibliografie komt aan het einde van de paper, en bestaat uit een volledige, alfabetische lijst van alle bronnen die in de paper zijn vermeld en die je zelf onder ogen hebt gehad. Je maakt geen onderscheid tussen verschillende typen bronnen: boeken, artikelen en internetsites komen door elkaar heen te staan, zodat alles direct te vinden is op auteursnaam.

9.2 Als de bibliografie meer publicaties van dezelfde auteur bevat, is het voorschrift van Chicago 16 dat de auteursnaam alleen bij de eerste titel in de lijst wordt vermeld; daarna vervang je de naam door drie lange streepjes (zogenaamde “kastlijntjes”): ———. Dit teken krijg je op een Mac door Shift-Option-hyphen, in Windows door Alt+0151 op het numerieke toetsenbord, in Office-programma’s ook door Ctrl-Alt-hyphen.

Voorbeelden

McKeon, Richard. “Aristotle’s Conception of the Development and the Nature of the Scientific Method.” Journal of the History of Ideas 8 (1947), 3–44.

———. “Causation and the Geometric Method in the Philosophy of Spinoza (I).” The Philosophical Review 39 (1930), 178–189. Article Stable URL: http://www.jstor.org/stable/ 2179944 (geraadpleegd 23 maart 2012).

———. “Causation and the Geometric Method in the Philosophy of Spinoza (II).” The Philosophical Review 39 (1930), 275–296. Article Stable URL: http://www.jstor.org/stable/ 2179655 (geraadpleegd 23 maart 2012).

———. The Philosophy of Spinoza: The Unity of His Thought. New York: Longmans, Green, 1928.

§ 10 Citeren

10.1 Basisregels

  • Citeer altijd uitsluitend en alleen uit de bron die je voor je hebt. Als je een bron niet rechtstreeks citeert, maar indirect, dus uit een andere bron, dan moet je dat aangeven. Stel dat je bijvoorbeeld de bekende uitspraak “hypothesen verzin ik niet” (hypotheses non fingo) van Isaac Newton aanhaalt, en je doet dat niet rechtstreeks uit Newtons Principia (Philosophiae Naturalis Principia Mathematica, Scholium Generale, 1713), maar uit een secundaire bron, dan kun je dat in een voetnoot als volgt aangeven:

5. Newton, geciteerd in E.J. Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld, 6e dr. (Amsterdam: Meulenhoff, 1989), 527.

  • Korte citaten (tot een maximum van ongeveer honderd woorden, dat is ongeveer zes tot acht regels) worden tussen dubbele aanhalingstekens in je eigen tekst opgenomen.
    • Als er binnen het citaat zelf ook aanhalingstekens voorkomen (in welke vorm ook: dubbel of enkel), dan geef je die als enkele aanhalingstekens.
  • Langere citaten krijgen geen aanhalingstekens, maar worden apart gezet: plaats ervoor en erna een witregel, en laat het hele citaat inspringen.
    • Zo’n citaat dat apart staat van je eigen tekst heet een ingesprongen citaat of blokcitaat (Engels block quotation).
    • Als er binnen het blokcitaat zelf aanhalingstekens voorkomen (in welke vorm ook: dubbel of enkel), dan geef je die als dubbele aanhalingstekens.
  • Respecteer de spelling (inclusief hoofdletters) en interpunctie van het origineel.
  • Citeer altijd letterlijk. Geef alle wijzigingen die je in een geciteerde tekst aanbrengt duidelijk aan:
    • Als je iets weglaat, zet je daarvoor in de plaats drie puntjes tussen vierkante haken neer: […]. (Zie ook Opmerking VIII)
    • Als je iets aanvult, verandert of corrigeert, dan plaats je de aangevulde of gewijzigde tekst tussen vierkante haken.
    • Als je nadruk toevoegt door woorden te cursiveren, dan verantwoord je dat door een formule als ‘mijn cursivering’ en je initialen op te nemen; dat kan direct na het gecursiveerde woord in de tekst tussen vierkante haken, maar ook in de voetnoot waarin je de bron van het citaat geeft; zie de voorbeelden. De initialen variëren uiteraard.

Voorbeelden           

(Van de geciteerde tekst, oorspronkelijk in het Latijn gescheven, bestaat geen goede Nederlandse vertaling, vandaar dat ik een Engelse heb genomen. In het Nederlands luidt de passage, in een eigen vertaling: “Zoals de zeer scherpzinnige Florentijn opmerkt in zijn Discorsi sopra la prima Deca di Tito Livio, boek 3, hoofdstuk 1, is de voornaamste oorzaak waardoor zulke staten uiteenvallen, dat een staat, net als het menselijk lichaam, ‘dagelijks het een en ander verzamelt waarvoor ooit een kuur nodig is’.”)

(1 – het volledige citaat, met daarbinnen ook weer een citaat)

In de Tractatus politicus schrijft Spinoza: “The primary cause of their destruction is the one noted by the shrewd Florentine in the first Discourse of his third Book on Livy, when he says that ‘a state, like a human body, is subject to daily accretions which occasionally require treatment’.”

(2 – met weglating)

In de Tractatus politicus schrijft Spinoza: “The primary cause of their destruction is the one noted by the shrewd Florentine […] that ‘a state, like a human body, is subject to daily accretions which occasionally require treatment’.”

(3 – met aanvullingen)

In de Tractatus politicus schrijft Spinoza: “The primary cause of their destruction [namelijk van aristocratieën] is the one noted by the shrewd Florentine [Machiavelli] in the first Discourse of his third Book on Livy, when he says that ‘a state, like a human body, is subject to daily accretions which occasionally require treatment’.”

(4 – met wijzigingen)

In de Tractatus politicus schrijft Spinoza: “The primary cause of their destruction is the one noted by [Machiavelli] in the first Discourse of his third Book on Livy, when he says that ‘a state, like a human body, is subject to daily accretions which occasionally require treatment’.”

(5 – met toegevoegde nadruk, verantwoord in het citaat)

In de Tractatus politicus schrijft Spinoza: “The primary [mijn cursivering, PS] cause of their destruction is the one noted by the shrewd Florentine in the first Discourse of his third Book on Livy, when he says that ‘a state, like a human body, is subject to daily accretions which occasionally require treatment’.” (Zie ook Opmerking IX)

(6 –toegevoegde nadruk verantwoord in de voetnoot)

14. Spinoza, A Treatise on Politics 10.1, trans. Wernham, 429 (mijn cursivering, PS). (Zie ook Opmerking IX)

  • Neem van de typografische opmaak alleen romein (= rechtop) en cursief (= schuingedrukt) over, en negeer alle andere typografische varianten, zoals KLEIN KAPITAAL, verandering van lettertype, verandering van corps (=lettergrootte), en dergelijke. Als in de aangehaalde passage andere manieren worden gebruikt om nadruk te leggen (onderstrepen, kleur, s p a t i ë r e n), dan vervang je die door cursief. Als er andere soorten aanhalingstekens worden gebruikt (bijvoorbeeld Franse « guillemets » of Duitse »Gänsefüßchen«), dan vervang je die door de “hoge dubbele aanhalingstekens” (of, binnen een citaat, door ‘enkele’).
  • Nootcijfers (alsmede kopregels, regelnummers e.d.) horen niet tot de eigenlijke tekst en worden dus niet meegeciteerd. 

10.2 Speciale gevallen

  • ŸWat te doen als er een evidente fout staat in de passage die je aanhaalt? Er zijn twee oplossingen: (1) je neemt de fout gewoon over, eventueel onder toevoeging van het woordje [sic] (cursief, tussen vierkante haken, zonder uitroepteken: zie Chicago 16, § 13.59), om aan te geven: ik vergis me niet, ‘zò (staat het er)’; (2) je corrigeert de fout, en geeft dat aan door je verbetering tussen vierkante haken te plaatsen.
  • Als je een citaat aanhaalt in een vreemde taal, en je wilt er een vertaling bij leveren, kan die vertaling in een voetnoot; het alternatief is: de vertaling in de tekst en de oorspronkelijke taal in de noot.

§ 11 Controleer, alvorens in te leveren, ten slotte ook nog altijd…

… of je paper is voorzien van je naam en studentnummer,

… of je paper is voorzien van een titel,

… of je paper is voorzien van een datum,

… of je paper is voorzien van paginacijfers,

… of de spelling klopt – let speciaal op fouten die door de spellchecker niet worden opgemerkt (lijden/leiden, wijden/weiden, beoordeeld/beoordeelt, verwoordt/verwoord),

… of er nog grammaticale fouten (dat/wat), anglicismen, spreektaal (“niks” in plaats van “niets”) in zitten.

Ter controle kun je ook nog de lijst met commentaarpunten bekijken (het document ‘Beoordeling van de vaardighedenpapers’, Blackboard): die biedt een royaal overzicht van fouten zoals die in papers kunnen voorkomen (en daarin ook daadwerkelijk zijn aangetroffen).

Opmerking I (bij $1)

Chicago 16 is speciaal ontwikkeld voor de Amerikaanse academische praktijk. In deze samenvatting zijn de voorbeelden aangepast aan de Nederlandse situatie. Ook is, daar waar Chicago 16 alternatieven toelaat, steeds één optie gekozen.

Opmerking II (bij § 2)

In deze richtlijnen is gekozen voor de “humanities style”, en wel met voetnoten (dus geen eindnoten).

Opmerking III (bij § 4)

Het gebruik van ongepubliceerde bronnen, zoals handschriften, brieven, archiefstukken, mondelinge mededelingen en dergelijke wordt hier niet behandeld, omdat die pas een rol gaan spelen bij gevorderd onderzoek.

Opmerking IV (bij § 5.2)

Op de titelpagina van Logica voor informatica staan alleen de initialen van de vijf auteurs; hun voornamen worden prijsgegeven op de pagina’s VII–VIII van het boek: respectievelijk Johan, Hans, Josje, Jan en Wilfried. Je kunt in plaats van de initialen de voornamen geven, maar nodig is het niet.

“Z.p.” betekent “zonder plaats(aanduiding)”. Dat je nergens kunt zien waar het boek is verschenen, komt zelden voor. In dat geval zet je dus “Z.p.” Analoog: als er nergens een jaartal (ook niet van copyright) te vinden is, vermeld je: “z.j.” = “zonder jaar(tal)”, en als er geen uitgeversnaam bekend is: “z.n.” = “zonder (uitgevers)naam”. In het Engels: N.p. (No place), n.n. (no name), n.y. (no year)

Opmerking V (bij § 5.3)

Bij de vertaling van Descartes’ Discours in de reeks Bibliotheek Descartes (band 3) zijn de titels van de vier afzonderlijke werken die samen het boek vormen behandeld alsof Over de methode de algemene titel is, en de overige drie essay-titels ondertitels.

Aanwijzing A (bij § 6)

Let op de verschillende manieren waarop volgens Chicago 16 artikelen in tijdschriften en in boeken behandeld moeten worden:

  • Na een tijdschriftartikel wordt meteen de titel van het tijdschrift gegeven, na een artikel in een boek volgt eerst het voorzetsel “in” (na een komma, in voetnoten) dan wel “In” (na een punt, in de bibliografie).
  • Bij tijdschriften wordt na de titel alleen de jaargang en het jaartal gegeven; bij boeken volgt na de boektitel ook nog de redacteur(en) en de uitgeversgegevens (plaats, naam, jaar).

De voorbeelden van § 6 laten zien hoe dat in de praktijk werkt.

Opmerking VI (bij § 7.1)

Gezien het dynamische en vluchtige karakter van internetbronnen – sites kunnen verdwijnen, van plaats/adres veranderen, of inhoudelijk worden gewijzigd – vraagt het beschrijven ervan een speciale aanpak. Er bestaat nog geen algemeen aanvaarde conventie voor het beschrijven van een website. Sinds enkele jaren is het systeem van “digital object identifiers” (DOI; zie http://www.doi.org/) in opkomst, waarmee webcontent van een uniek permanent serienummer wordt voorzien, zoals ISBN dat doet voor boeken. Het lijkt erop dat dit de standaard zal worden.

Aanwijzing B (bij § 7.2)

Voor de paper moet de bibliografie tenminste één werk van je filosoof, één monografie, twee artikelen en twee internetbronnen bevatten. Als een tekst, zoals beschreven in §7.1, in facsimile op internet staat, telt die als werk van de filosoof, monografie of artikel; als de tekst, zoals beschreven in § 7.2, is omgezet in een nieuwe digitale versie, telt deze als internetbron.

Opmerking VII (bij § 7.2)

Het boek van Vermij en het artikel van McKeon zijn op internet in facsimile opgenomen, zodat je naar de tekst en de pagina’s kunt verwijzen alsof je het boek en het artkel voor je hebt liggen. Het boek van Duijkerius is in HTML omgezet, en ziet er daardoor heel anders uit dan de oorspronkelijke publicatie. Wel is in de digitale versie de oorspronkelijke paginering aangegeven. Je kunt dus wel naar de boekpagina’s verwijzen (in noot 5 wordt naar pagina 55 verwezen). Het artikel van Dieks is een Word-versie die in opmaak en paginering volledig afwijkt van de gedrukte publicatie: in het boek beslaat het de pagina’s 80–98, het Word-document heeft een paginering van 1 tot 12.

Opmerking VIII (bij § 10.1)

Nog een drietal aanvulliende opmerkingen over weglatingen in een citaat. Speciaal de eerste is van belang.

  1. Let op: omdat een citaat altijd een selectie is, waar tekst aan vooraf gaat en tekst op volgt, worden weglatingen aan het begin en eind niet gemarkeerd. Open en sluit een citaat dus niet met […].
  2. De drie puntjes heten in het Nederlands het “beletselteken,” in het Engels “ellipsis” (ook wel “suspension points”). Chicago 16 plaatst spaties tussen de punten, wat in het Engels niet ongebruikelijk is. In het Nederlands worden de drie puntjes niet gespatieerd.
  3. Op dit onderdeel – weglatingen in citaten – volgen deze Richtlijnen niet de voorkeur van Chicago 16. Die is namelijk: “ . . . ”, dus drie puntjes zonder vierkante haken. Het nadeel daarvan is dat de punten dan moeilijk van de omringende interpunctie te onderscheiden zijn, en dat de lezer niet weet of het beletselteken in het origineel stond of afkomstig is van degene die citeert. Chicago 16 geeft daarom de door ons gekozen oplossing, met haken, wel als alternatief.

Opmerking IX (bij § 10.1, twee keer)

De initialen “PS” die in de voorbeelden worden gebruikt, zijn die van de schrijver van deze Richtlijnen (Piet Steenbakkers). In plaats daarvan gebruik je uiteraard je eigen initialen.